Gedichten van
    P.a. De Genestet


Naar de Natuur.

 Ik zie een graf gedolven

 Op 't kerkhof te Bloemendaal

 De lijkbaar staat te wachten

 Vlak bij het kerkportaal.

 

 De schooljeugd - het is vakantie,

 Iets zeldzaams in de week,

 Maar Meester is uitgetogen

 In 't zwart, met een grooten steek -

 

 De schooljeugd, - zij vindt haar genoegens

 Op 't kerkhof als overal -

 Loopt saam: er wordt begraven,

 Dat is een aardig geval! 

 

 Zij komen, nieuwsgierig, en kijken

 En keuvelen met elkaêr.

 Zij klimmen op 't hek van het kerkhof

 En duikelen over de baar.

 

 Zij peilen den gapenden grafkuil

 Met onbezorgden zin,

 De een zegt: Het is een diepert!

 En de ander: Durf jij er in?

 

 Een derde neemt een vuistvol

 Van 't opgedolven zand,

 En laat het als een fonteintje

 Weer vloeien uit zijn hand.

 

 Nu gaan ze krijgertje spelen

 Rondom het open graf;

 Ook ranslen twee vechtersbazen

 Elkander eens eventjes af.

 

 Maar Teunis zit met Klaartje

 Al op den grafkuilrand,

 Naar 't schijnt, een deuntje te vrijen

 Op kinderlijken trant.

 

 Zij spelen - in verwachting

 Van 't geen er komen zal;

 Daar wordt er een begraven,

 Dat is een aardig geval!

------

Moeders Graf.

 Wel hem, wien God in 't vlugtig leven

 Een vrome moeder heeft gegeven,

 Want wie kan twijflen op haar graf?

 

 v.d. Hoeven Jr. naar Lamartine .

 Waar rijst, uit twijfel, zonde en smart,

 Altijd? met diep gelooven,

 Een ongeloovig menschenhart,

 Weer stille en rein, naar boven?

 

 't Is bij het graf der vrome vrouw,

 Die 't eerst ons hart bewaarde!

 Begraaft gij uwer moeder trouw

 Toch met geen handvol aarde.

 

 Daar kan geen twijfel, die verleidt,

 Des harten drang verhinderen;

 Het kínderoog ziet de eeuwigheid

 En mannen worden kinderen.

1857.

------

Benjamin-af.

 Haast ben je nu niet meer Benjamin,

 Dan neemt een ander je plaatsjen in,

 Mijn lieve, kleine jongen!

 Dan zet je moeder je neer op den grond,

 Dan zegt je vader: loop heen, loop rond -

 Je wordt door een aapje verdrongen.

 

 Haast ben je nu niet meer Benjamin,

 Dan krijg je niet altoos meer je zin,

 En moogt je fortuin gaan zoeken,

 Dan eet er een ander de kaas van je brood,

 Dan heerscht er een ander op moeders schoot -

 Een koninkje in linnen doeken. 

 

 Dan sta je gelijk, jij, met de andere broêrs,

 En maak je spektakel, men noemt u jaloersch,

 Men lacht om uw gramschap, klein wichtje!

 Dan, wie er je soms nog beschermen moog -

 Een ander heeft ieders hart en oog,

 In spijt van je lieve gezichtje?

 

 Ja, haast ben je niet meer Benjamin,

 Je rijk heeft uit en een nieuw neemt begin,

 Zoo gaat het met de aardsche rijken!

 't Is goed dat je dit nu maar vroeg ondervindt:

 Het loopt in de wereld niet anders, lief kind!

 Dat zal je licht later blijken.

 

 Eerst wordt ge vertroeteld, eerst ben je de man!

 Maar denk je, dat het lang duren kan?

 Wel neen, slechts een poosje, mijn baasje!

 Dan komt er een wolkjen in 't verschiet....

 Dan komt er een aapje, dat je eerst niet ziet...

 Hij schreeuwt en - zit op je plaatsje!

 


 

Welgelegen.

 'k Noem mijn huis vol huwlijkszegen,

 Kinderliefde en moedermin,

 Somtijds lachend: Welgelegen;

 Maar die scherts heeft droeven zin.

 

 ‘Welgelegen? woont gij buiten?

 Of is 't uitzicht dan zoo schoon

 Op uw stadje, door de ruiten?’ -

 Neen: doch weet ge wáár ik woon?

 

 Vlak bij 't kerkhof! Al de dooden

 Moeten steeds mijn huis voorbij

 En verkonden, stille boden:

 ‘Heden ik en morgen gij.’ 

 

 't Is wel vroolijk, zelfs bij tijden

 Al te vroolijk! veel te druk

 Kunnen de ekipages rijden

 Langs mijn woning vol geluk.

 

 'k Zucht dan vaak ook: Stille vrinden,

 Neemt, zoo 't kan, de boodschap mee,

 Dat ik graag bij mijn beminden

 Nog wat blijven wou in vree! -

 

 Vlak bij 't kerkhof, maar twee schreden

 En ge zijt er, gauw en goed,

 Waar ge lang om heen kunt treden,

 Maar toch eindlijk rusten moet.

 

 Vlak bij 't kerkhof, maar één stapje,

 En ik sta er aanstonds voor;

 Komt mijn tijd voor 't laatste stapje -

 'k Heb geen rijtuig noodig, hoor!

 

 Aaklig, hé, om zoo te wonen

 Vlak bij 't kerkhof, bij je graf?....

 Maar, mijn lieven, sterken, schoonen!

 Woont ge er dan veel verder af?

--1858

------

Speelgoed van mijn Kinderjaren.

 Speelgoed van mijn kinderjaren,

 'k Vraag u niet wanhopig weêr:

 'k Hield nog enkle wilde haren

 Van mijn zorgeloos weleer,

 En, bij 't rijpen van mijn leven,

 Heeft des Hemels trouwe gunst

 Hooger rijkdom mij gegeven:

 Droomen, zangen, liefde en kunst!

 

 Ik heb meisjes om te stoeien,

 Voor de vlinders van 't terras!

 Andre kijkers die mij boeien,

 Dan 't geslepen tooverglas!

 'k Heb voor vliegers - luchtkasteelen,

 Drijvende in den zomerglans; 

 

 Voor mijn drukke kinderspelen,

 Tonenspel en notendans!

 

 Ik weet zoeter, dwazer zangen,

 Dan der sprookjes poëzij;

 Vroeger kon ik musschen vangen,

 En nu - duifjes, blank en blij;

 'k Heb een handvol mirteblaêren,

 Voor amandel en rozijn,

 En op mijn vervlogen jaren

 Drink ik met den ouden wijn!

 


Nooit van pas.

 Bij 't zorgen

Voor morgen

 Vond niemand ooit baat:

 Eerst, als ge er vóór staat,

 Dan voelt gij het kwaad;

 En als gij 't voelt, dan helpt geen raad, -

 Dus: Wijsheid koomt steeds of te vroeg of te laat.

 


Neen.

 Gelukkig hij en vrij en vroed,

 Die neen durft zeggen, neen,

 Dat bondig woord, vol mannenmoed,

 Tot iedereen.

 

 Neen tot zijn kind, zijn vriend, zijn vorst,

 En tot de schare - neen!

 Uit hooge niet, maar vrome borst,

 Neen - schoon alléén.

 

 Neen, voor den naam, den roem, de macht,

 Den top der blinkende eer,

 En waar Fortuin hem lokt en lacht:

 Ik biede u meer! 

 

 Neen, in 't beslissend uur van 't lot,

 Als 't machtig geestenkoor

 Des wijzen kloekheid vaak bespot

 En brengt van 't spoor.

 

 Neen, tot den Booze, in lichtgewaad!

 Die 't edel hart verleidt;

 Den Booze - met het zacht gelaat,

 Dat bidt of schreit.

 

 Neen, tot zich-zelf, zijn slingrend hart,

 Vol gloed of teederheên,

 Neen - met een traan van spijt, van smart,

 Maar nochtans neen.

 

 Gelukkig, op de gladde paên

 Des levens, die 't vermag;

 Die man zal recht en veilig gaan,

 En eischt ontzag.

 

 Ons Ja volgt menig lang berouw,

 Te lang, te wreed, te spaê....

 Voor 't onbedachte woord der trouw

 Is geen genaê.

 

 Ons lat, ons roekloos Ja baart pijn,

 Bezwaart, verstrikt, voert mee....

 Ons Neen wekt haat, kost moeite en strijd,

 Doch baart ons vree. 

 

 Verkiest gij rust, voor schande en schaê,

 Bij 't wisslend levenslot,

 Zeg meestal neen, maar zelden ja,

 Tenzij - tot God!

 

 Volg Hem, die tranen en gebeên

 Weerstond op harden toon,

 En neen sprak tot zijn vriend - en neen

 Voor 's werelds troon!

 

Petrus Augustus de Génestet

De Génestet was een  innemende voordrachtskunstenaar en dichter in de tijd dat het Modernisme zijn intrede in de kerk deed door zijn gedichten. Hij was predikant bij de Remonstrantse Gemeente in Delft. De kerk is genoemd naar de predikant en dichter P.A. de Génestet.


Liedje in de maneschijn

Hoe komt het toch, dat zo garen
de meisjes- vraagt ge mij-
in het lieve maantje staren
met stille mijmerij ?

Wel hebt ge nooit vernomen
van het mannetje in de maan?
Zij zien het in hun dromen
Zij lokken `t met een traan

Schijnt later, als de morgen
haar naast een wiegje wekt
en de avond uit de zorgen
haar in de veren trekt.

Schijnt later van de hoge
het maantje op de ruit
Men kijkt met andre ogen:
Het mannetje is er uit!

Zelfs ziet men menig spannetje
zo kwalijk samen gaan
dat vaak de vrouw het mannetje
terug wenst naar de maan! 
P.A.de G. (1858)

------

Opvoeding.

 Ik heb een leelijk trekje

 Ontdekt in 't kleine hart

 Van ons aanvallig bekje -

 Dat baart mij groote smart.

 

 Ik heb tot God gebeden

 Dat Hij mij raden wou,

 Hoe 'k best dat hartje kneden,

 Dat plantje sturen zou?

 

 Met bidden of bevelen,

 Met rede of krachtbetoon?

 Met strijden of met streelen

 Met vrees of hoop op loon? 

 

 Met plooien, pleistren, schikken?

 Met onweêrstaanbren dwang?

 Met groote, booze blikken

 Of teedren liefdedrang?

 

 Met ééne les voor 't leven,

 Een harde les, misschien?

 Met op de vingers geven

 Of door de vingren zien?

 

 Met vaderlijke tranen

 Aandoenelijk en week?

 Met kort en zacht vermanen?

 Of mooglijk - met een preek?

 

 Met leeren en betoogen?

 Met zeekre dogmatiek?

 Ik vreesde, o kinderoogen,

 Uw oolijke repliek?

 

 Zoo stond ik te overleggen

 Hoe ik mijn trouwloos wicht

 Het juiste woord moest zeggen

 En brengen tot haar plicht.

 

 Zoo stond ik half verlegen,

 Met teedre zielepijn,

 Te wikken en te wegen,

 Wat hier de weg zou zijn? 

 

 Ik heb wel alle dagen,

 Gelijk mijn plicht mij riep,

 Dat hartje gaê geslagen, -

 Maar 't kinderhart is diep!

 

 Vast zou ik minder schromen,

 Had ik, als andren doen,

 Een stelsel aangenomen

 Om kindren op te voên.

 

 Doch mooglijk zou 't niet passen,

 Schoon anders overal,

 (Een ding kan ons verrassen!)

 Juist hier in dit geval.

 

 Dus vraagde ik God een lesje -

 Daar kwam zij aangetreên,

 't Hooghartig zondaresje,

 Gebogen, week en kleen;

 

 Van-zelf, met wankle schreden,

 Met schaamte in blos en blik,

 Gants droevig ontevreden

 Op eigen leelijk Ik.

 

 Daar kwam zij aangetreden

 En kuste mij zoo teer,

 En heeft haar schuld beleden -

 Raad, wat ik hieruit leer? 

 

 't Geval was mij een teeken,

 Een teeken trouw en goed:

 ‘Wacht - bidt! God zelf wil spreken

 Temet in 't jong gemoed:

 

 ‘En weet, wat rede of roede

 Ooit vaardig breng' terecht -

 Méést werkt de kracht ten Goede

 Door Hem in 't hart gelegd.

 

 ‘Wat zwakheid moog bederven,

 Uw wijsheid doet veel meer

 Vaak 't wonderbloempje sterven,

 Dáár kiemend tot Zijn eer!’ 

------

Een mens lijdt dikwijls ’t meest
Door ’t lijden dat hij vreest
Doch dat nooit op komt dagen.
Zo heeft hij meer te dragen
Dan God te dragen geeft.

Soms aangevuld met:

Het leed dat is, drukt niet zo zwaar
Als vrees voor allerlei gevaar.
Doch komt het eens in huis,
Dan helpt God altijd weer
En geeft Hij kracht naar kruis.
------

 'k Wandel met een lied door 't leven,

 Blij als 't kind aan moeders hand -

 Kennis, door uw rijke dreven,

 Kunst, door uw gelukkig land!

 'k Heb een wereld voor mijn spelen,

 En vermoeid van spel en lust,

 Of van menschen die krakeelen,

 Ook een Hemel voor mijn rust.

1849.

 


           De beste Vriend.

 Ik heb een vriend met ijzren hand

 En koel gebiedend oog;

 Met recht gevoel en kloek verstand,

 Doch vaak wel norsch en droog.

 

 Zijn woord voor mij, zijn wil is wet,

 Zijn wenken is gebod;

 Wee! zoo mijn ziele zich verzet -

 Hij rooft mij elk genot.

 

 Hij sloort mij soms in 't zaligst uur,

 Bij lust en feest en lied;

 Als in de weelde der natuur

 Mijn droomend hart geniet. 

 

Hij jaagt mij van de liefste plek,

 Hoe zoet de morgen lacht,

 En sluit mij op in 't eng vertrek,

 Daar lastige arbeid wacht.

 

 Hij dwingt mij kalm te zijn en sterk,

 Terwijl mij 't harte bloedt;

 En als ik ween, dan zegt hij: werk!

 Als ik niet kan: gij moet!

 

 Hij baart mij strijd, hij geeft mij rust

 In zorg of zweet verdiend;

 Hij is mijn Last, hij is mijn Lust,

 Mijn Plaag en toch - mijn Vriend.

 

 Want volg ik hem, dan rondom mij

 Schept hij mij vrede en licht,

 En stemt mij 't hart zoo ruim, zoo vrij...

 Hoe is zijn naam? - Do Plicht.


Zelfverloochening.

 U-zelf wilt gij verloochnen? goed!

 Dat is een edel streven.

 't Is de eerzucht van een vroom gemoed,

 Voor andren slechts te leven.

 

 Doch wie zich-zelf verloochnen wil,

 In woorden en in werken,

 Hij doe het vroolijk, needrig, stil,

 En laat zijn strijd niet merken.

 

 Want weet, als in uw sombren blik,

 In uw mistroostig wezen,

 De leus: ‘Mij-zelf verloochen ik!’

 Voor ieder staat te lezen.... 

 

 Dan rooft ge uw liefdewerk zijn kroon,

 Zijn lieflijkheid, zijn waarde;

 Dan rooft ge uw eigen ziel haar loon,

 Omdat gij 't vraagt van de aarde.

 

 Dan is uw offer goed noch groot,

 En zal geen hart verrukken:

 Wat meer dan goud kon zijn - als lood

 Zal 't op uw naaste drukken.

 

 Dan wekt ge liefde noch ontzag,

 Maar weerzin, medelijden:

 De kunst is: met een milden lach,

 Als streedt ge niet - te strijden!

1859.

 


Een Kruis met Rozen.

 Een kruis met rozen

 Is 't menschenlot,

 Is 't rijke leven,

 Uw gave, o God!

 

 Niet enkel rozen!

 Geen kruis alleen;

 De Liefde voegt ze

 Getrouw bijeen.

 

 Een kruis met rozen!

 Och, vroom en goed,

 Och leer het dragen

 Met blijden moed. 

 

 Ik weet de rozen,

 Zij vallen af!

 Het kruis nu, legt ge

 Pas neer - aan 't graf.

 

 Toch - welke uw gaarde

 En treure uw huis -

 Merk op de bloeme

 Die blijft aan 't kruis.

 

 En kweek nog dankbaar

 Den kleensten knop,

 En neem met liefde

 Uw last weer op!

 

 De bloeme lacht u,

 O lach háár toe!

 En vloek het kruise

 Nooit, levensmoe.

 

 Moog elke bloeme

 Der aard vergaan,

 De vrucht des Levens,

 Die rijpt er aan.

Okt. 1859.

 


Kijkje in het Leven.

 Vlak over mijn deur koomt de lijkkoets thuis,

 Dáár stalt hij, de sombere wagen:

 Hij bracht er weer een naar zijn laatste kluis -

 Dat doet hij zoo alle dagen!

 

 'k Hang uit mijn raam; 't is heet in stad,

 Een snikheet Julidagje;

 De zwarte koetsier heeft het warm gehad,

 Veel warmer dan ‘zijn vrach'je’!

 

 Ook reed hij van 't graf naar stal op een draf,

 - Het was op die koets om te braden! - 

 

 En legt nu, al blazend, zijn huilebalk af

 En de andere plechtgewaden.

 

 Hij schudt zich fluks den rouw van 't lijf,

 En frischt zich op reis even;

 Die guit! hij zat daar nog pas zoo stijf,

 Zoo somber, zoo treurig verheven!

 

 Hij steekt zijn pijpjen aan; hij telt

 Het fooitje van ‘zijn vrach'je’;

 Terwijl hij een kleine vertroosting bestelt

 Met een tevreden lachje.

 

 Dan bergt hij zijn spullen en
neemt zijn gemak

 Al op zijn ellebogen -

 Zou elders het maskeradepak

 Ook reeds zijn uitgetogen?

 


De Feestdag.

 Dat u een feestdag sticht' en sterk',

 Vriend, tot uw daaglijksch werk!

 Zijn heil, zijn licht, zijn rust en zoet

 Schenke u een frisschen moed.

 Verspil in uitgelaten vreugd,

 Uw sterkte noch uw jeugd.

 Nieuw rijze uw kracht ter eer van God,

 Uit matig feestgenot!

 


Gij houdt u groot in 't moeilijkst lot -

De vraag is: houdt ge u goed voor God? 




Niet bezorgd.

 Boven mijn hoofd aan zijden draad

 Slingert het zwaard al heen en weder,

 't Móét vallen - vallen, vroeg of laat!

 Het trilt, het velt mij neder!

 

 Doch om mijn hoofd ook ruischt een stem,

 Te midden van al mijn vreezen,

 Die mij gebiedt met zachten klem,

 Tóch niet bezorgd te wezen.

 


Kinderzin.

 't Klein volk dat buiten zich zoo vrij

 In 't leventje verheugde,

 't Is nu 't weêr oprukt even blij:

 In stad wacht nieuwe vreugde!

 

 Grootmoeder is niet wel gemutst,

 Daar geen der dartle kleenen,

 Die zij bedroefd ten afscheid kust,

 Zelfs met één oog kan weenen.

 

 Wie als een kind zijn dag geniet,

 Zal nooit zijn dag beklagen,

 En schept, wat kome, in 't nieuw verschiet

 Weer altijd nieuw behagen.

Drie Paren en Één.

Gij hebt twee ooren - maar één mond,

Dat, vriend! zij u een teeken,

Om veel te hooren en niet veel

Te spreken

 

Gij hebt twee oogen - maar één mond,

Bedenk dat, u ten zegen:

Veel moet gij zien en zeer veel dient

Gezwegen!

 

Gij hebt twee handen - maar één mond,

Den zin hoort gij te weten:

Twee zijn er voor het werk, maar één

Om te eten!

 


Rouwbeklag.
 God heeft u zwaar beproefd! - Ik weet

        Eén troostgrond maar: dat Hij het deed