Home » Het einde

Het einde

          

 Dag van de Heer

Sevanja 2:1-18

2 Alles zal ik van de aardbodem wegvagen – spreekt de HEER. 3 Mens en dier zal ik wegvagen. Ik zal de vogels aan de hemel wegvagen en de vissen in de zee, alles wat de zondaars ten val heeft gebracht. En ik laat de mensen van de aardbodem verdwijnen – spreekt de HEER. 4 Ik zal mijn hand naar Juda en de inwoners van Jeruzalem uitstrekken. Daar zal ik de Baäls, de afgodendienaars en de priesters vernietigen. 5 Ik zal wegvagen wie op het dak knielt voor het sterrenleger aan de hemel, wie knielt voor de HEER en trouw aan hem zweert, maar tegelijk ook aan *Milkom. 6 Ik zal vernietigen wie de HEER de rug toekeert, hem niet zoekt en hem niet raadpleegt.

*of Moloch, Milchom, Milkom
TERUG
7 Wees stil voor God, de HEER,
de dag van de HEER is nabij!
De HEER zal een offermaaltijd houden
en zijn genodigden heiligen.
8 Op de dag van die maaltijd
zal ik de leiders en de koningszonen straffen,
en al wie zich hult in uitheemse kledij.
9 Op die dag zal ik straffen wie over de drempel springt,
wie het huis van zijn heer vult met geweld en bedrog.
 
10 Op die dag – spreekt de HEER –
klinkt er geschreeuw uit de Vispoort,
gehuil uit de nieuwe stad,
en heerst er verslagenheid in de heuvels.
11 Huil, bewoners van de Vijzelbuurt:
de handelaars zijn omgekomen,
de geldwegers zijn uitgeroeid.
 
12 Dan doorzoek ik Jeruzalem met lampen,
straf ik hen die zich aan wijn te buiten gaan en denken:
De HEER doet geen goed en geen kwaad.
13 Hun bezittingen worden buitgemaakt,
hun huizen verwoest.
 
Ze zullen huizen bouwen maar er niet in wonen,
wijngaarden planten maar de wijn niet drinken.
14 De grote dag van de HEER is nabij,
hij is nabij en komt zeer snel.
Hoor! De dag van de HEER!
Zelfs de dappersten schreeuwen het uit.
 
15 Die dag zal een dag zijn van razernij,
een dag van angst en benauwdheid,
een dag van rampspoed en onheil,
een dag van duisternis en donkerheid,
een dag van dreigende, donkere wolken,
16 een dag van hoorngeschal en krijgsgeschreeuw
tegen de vestingsteden en hun hoge torens.
17 Ik zal de mensen angst aanjagen,
ze zullen rondlopen als blinden,
want ze hebben tegen de HEER gezondigd.
 
Hun bloed wordt vergoten als was het maar stof,
hun vlees zal tot straatvuil vergaan.
18 Goud noch zilver kan hen redden
als de toorn van de HEER hen treft,
als het vuur van zijn woede de aarde verteert
en hij al haar bewoners een gruwelijk einde bereidt.

/assets/img/placeholder.png
 

 

Openbaring 22

Hij liet me een rivier zien met water dat leven geeft. De rivier was helder als kristal en ontsprong aan de troon van God en van het lam. In het midden van het plein van de stad en aan weerskanten van de rivier stond een levensboom, die twaalf vruchten gaf, elke maand zijn eigen vrucht. De bladeren van de boom brachten de volken genezing. Er zal niets meer zijn waarop nog een vloek rust. De troon van God en van het lam zal daar in de stad staan. Zijn dienaren zullen hem vereren en hem met eigen ogen zien, en zijn naam staat op hun voorhoofd. Het zal er geen nacht meer zijn en het licht van een lamp of het licht van de zon hebben ze niet nodig, want God, de Heer, zal hun licht zijn. En zij zullen als koningen heersen tot in eeuwigheid.
 
SLOT

 

6 Toen zei hij tegen mij: ‘Wat hier gezegd is,
is betrouwbaar en waar. De Heer, de God
die profeten bezielt, heeft zijn engel gestuurd om
aan zijn dienaren te laten zien wat er binnenkort
gebeuren moet.’

 7 ‘Ik kom spoedig!’ Gelukkig is wie zich houdt aan de profetie van dit boek.

 8 Ik, Johannes, was het die deze dingen hoorde en zag. En toen ik alles gehoord en gezien had, wierp ik me neer aan de voeten van de engel die me deze dingen liet zien, om hem te aanbidden. 9 Maar hij zei: ‘Doe dat niet! Ik ben een dienaar zoals jij en je medeprofeten, en zoals degenen die zich houden aan wat er in dit boek staat. Je moet God aanbidden.’ 10 Verder zei hij tegen me: ‘Houd de profetie van dit boek niet geheim, want de tijd is nabij. 11 Wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten, en wie onrein is zal nog onreiner worden. Wie goeddoet zal nog meer goeddoen, en wie heilig is zal nog heiliger worden.’

 12 ‘Ik kom spoedig, en heb het loon bij me om iedereen te belonen naar zijn daden.
 13 Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde.’

 14 Gelukkig zijn zij die hun kleren wassen: zij kunnen over de levensboom beschikken en zullen de stad door de poorten binnengaan. 15 Buiten is de plaats voor de honden die zich bezighouden met toverij en ontucht, met moord en afgodendienst, voor iedereen die de leugen koestert en ernaar handelt.

 16 ‘Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om jullie deze dingen bekend te maken voor de gemeenten.
 Ik ben de telg van David, zijn nakomeling, de stralende morgenster.’

 17 De Geest en de bruid zeggen: ‘Kom!’ Laat wie luistert zeggen: ‘Kom!
Laat wie dorst heeft komen; laat wie dat wil vrij drinken van het water dat leven geeft. 

18 Ik verklaar tegenover een ieder die de profetie van dit boek hoort: als iemand er iets aan toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven zijn; 19 en als iemand iets afneemt van wat in het boek van deze profetie staat, zal God hem zijn deel afnemen van de levensboom en van de heilige stad, zoals die in dit boek beschreven zijn.

 20 Hij die van deze dingen getuigt, zegt: ‘Ja, ik kom spoedig!’

 Amen. Kom, Heer Jezus!

 21 De genade van onze Heer Jezus zij met u allen.

 

 

mooie-1.jpg
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap  

 

 

 

Op het orgel van de grote kerk te Hasselt speelt Teke Bijlsma een eigen improvisatie over het lied

"U zij de glorie"

 

Terug naar boven